vrijdag 15 juni 2012

Reizigster door de tijd*. (verhaal, Zorg)



Steeds vaker heb ik last van een beklemmend gevoel waarbij koud en warm zweet mij over het lichaam loopt.Wat voel ik mij bang. Zo bang. Nu weer. Mijn bloed kolkt kloppend in mijn hals. Mijn hart bonkt als een gek. Warmte en kou wisselen elkaar in een snel tempo af. Mijn mond is zanddroog, ik probeer speeksel op te wekken, maar het lukt me niet. Een zuster maakt de opmerking:’ Het lijkt wel of u in de overgang bent met al dat zweten, mevrouw Nachtegaal.’ Als een boer die kiespijn heeft en die niet durft te praten kan ik er  met een benepen stemmetje een grapje uitpersen:’ Ja, de tweede.’ Maar ik vind de situatie verre van grappig en wat voel ik mij vreselijk ellendig.

Steeds zit ik tegen paniek aan.‘Waar ben ik? Wat doe ik hier? Hoe ben ik hier gekomen? Het is angstaanjagend, ik voel mij verdwaald. Kan mij sommige dingen niet herinneren. De zuster legt uit waar ik ben. En …dat ik hier woon. Ik voel me machteloos verdrietig en moet mijn best doen om niet nog meer in paniek te raken. ‘Waar ben ik als ik hier niet ben?’ vraag ik me hardop af. Voor mijn gevoel ben ik dan weer wel en dan weer niet op deze plek. He gelukkig, de zuster vraagt iets over vroeger en of ik haar wil helpen met tafel dekken. Het leidt mij af van mijn gepieker. Dat piekeren is de hel. Het geen grip kunnen krijgen op het hoe, wat  en waarom is voor mij een martelende ervaring, Zelden krijg ik antwoorden. Ik kijk naar de twee ringen om mijn linker ringvinger. Trouwringen. De paniek kolkt opeens als een vloedgolf weer door  mij heen. Toch probeer ik zo rustig mogelijk te vragen: ‘Met wie was ik ook alweer getrouwd, zuster?’
De zuster weet het niet en baalt dat ze het mij niet kan vertellen. Dan pakt ze het lijstje dat ze laatst maakte en laat het mij zien. De namen van mijn kinderen, schoonzonen en kleinkind staan erop. Samen nemen we het lijstje door. Opeens schiet mij weer de naam van mijn man binnen en van een broer. De zuster schrijft het direct op, dat vind ik fijn. Tegelijkertijd beangstigt het feit dat ik zo sterk vergeet mij tot op het merg van mijn botten. Brr, kippenvel. Ik ben in een slechte film met een horror scenario terecht gekomen. Vaag kan ik mij herinneren dat ik het fijn vond om hier te komen wonen en te zijn. Waande mij in de hemel, ik hoefde niets meer te doen. Niet meer te koken, was te doen, strijk, schoonmaken, bed opmaken, niet meer te zorgen voor wie dan ook. Het was even fijn. Maar nu? Zoals ik mij op dit moment voel?

 De namen van al die zusters die hier rondlopen, kan ik evenmin onthouden, ik heb het gevoel dat ze soms niet eens hun naam zeggen. Ik ken en herken ze aan hun ogen, hun manier van praten, handelen en luisteren.
 Ze bedoelen het goed, maar die angst! ‘Ik wil zo graag naar huis, naar mijn moeder’ fluister ik tegen de zuster ‘Zo graag.’
Ze kijkt mij aan, het lijkt wel of ze  tot achter mijn ogen, in mijn ziel kan zien. ‘Ik begrijp het’ fluistert ze terug en legt even een arm op mijn schouders. ‘Leven mijn ouders nog wel?’ Ze schudt nauwelijks zichtbaar haar hoofd. Haar wijsvinger gaat richting grote kalender waar de datum op staat, mijn houvast, mijn reddingslijn. Woensdag 30 mei 2012. Ze haalt bijna verontschuldigend haar schouders een beetje op en spreidt haar handen in een gebaar van:’ het spijt mij en mijn niet weten.’ Mijn gevoel, mijn gevoel is bij mijn ouders. 2012!? Ik ben in de toekomst!  'Papa, Mama, help'  roep ik van binnen.
Dan de gruwelijke ontdekking ‘Ja, ik weet weer dat mijn ouders er niet meer zijn.’
‘Wel in uw hart’ de zuster legt even haar hand op het midden van mijn borst:’In uw hart zijn ze  bij u.’
Het helpt niet, ik wil zo graag naar mijn vader en moeder toe. Ik kan niet begrijpen dat ze er niet meer zijn.

Hoe komt het dat ik opeens in de toekomst ben beland? De mensen die hier in de zaal zitten leven allemaal in die toekomst begrijp ik nu. Of niet?  Wáár is de tijd gebleven? Tussen toen en nu? Tussen waar ik ben met mijn gevoel en waar ieder is met zijn en haar gedachten? Waar was ik? Ik moet niet te veel laten merken dat ik mij zo bang voel. Ik  voel mij  afschuwelijk kwetsbaar alsof ik  in groot gevaar verkeer en ik geen kant op kan. Ik voel mij weer als een kind. Maar toch ben ik nog steeds Suzanne Nachtegaal, de volwassen vrouw. DAT weet ik heus wel, al vergat ik daarnet mijn naam even. Ook dat is doodeng. Net of ik gek aan het worden ben. Maar dat ben ik niet, ik weet nog steeds dat ik ik ben. 

De zuster geeft me een mooi tijdschrift om te bekijken. Rustige natuurfoto’s, maar dan zie ik de datum aan de voorzijde. Help, ik ben in een gruwelfilm beland. De datum 29 juli 2009 doet mijn zenuwen geen goed. Mijn hart versnelt weer. Ik vraag de zuster om de datum van nu. Ze noemt hem hardop. ‘Hier staat 2009’ zeg ik. ‘ Ja, dat klopt, het is een oud tijdschrift, maar het is zo mooi. Daarom hebben we het bewaard.’ Ik zucht en blaas mijn adem uit, voor even zichtbaar opgelucht.
Nieuwe ademteug. Nieuw begin. Ben ik in de toekomst? Ik moet terug, terug naar mijn ouders. Ze weten niet waar ik ben. Of? Ik schrik, woon ik nou in Hekelingen of in Utrecht? In Utrecht werkte ik? Toch? Ja, dat weet ik zeker. Maar werk ik er nog? Ik was fysio therapeute. Help, mijn ik is de weg kwijt in de Tijd. Alles gaat in elkaar over: verleden, heden en toekomst tot het geheel dat mijn leven was en is, maar waarvan ik mij delen niet kan herinneren. Het is afgrijselijk niet te weten waar ik thuishoor. Waar ik woon. Zouden mensen mijn angst begrijpen? Ik moet maar heel gewoon doen, maar ik ben nergens zeker van. Misschien ben ik wel opgesloten in een inrichting? Zou ik dement aan het worden zijn? Of? Misschien zijn de anderen de weg in en door de tijd kwijt. Ze denken veel. Maar ik zie aan ze dat ze het niet kunnen bijhouden.

 Ik zou willen fietsen en wandelen. Dat zeg ik ook tegen de zuster. Die begint een moeilijk verhaal over niet genoeg mensen hebben om mee te gaan. Zucht. Vroeger trapte of liep ik mijn angsten en zorgen eruit. Misschien als ik kan wandelen dat ik dan wel grip krijg op mijn leven? Soms loop ik wat heen en weer, voel mij als een gekooid dier op zoek naar mijn leven dat hier steeds verder weg raakt.’Mevrouw Nachtegaal is weer eens aan het dwalen door de gangen’ hoor ik dan de zusters zeggen. Onzekerheid of ik 'het' wel goed doe neemt steeds weer bezit van mij. Niets is meer kloppend en ik heb het gevoel niets meer goed te doen, hoewel ik weet dat ik een intelligente vrouw ben.  Ik maakte veel mee en was zelfstandig. Uit deze situatie zal ik me toch ook wel weer weten te redden?

Ik hoor de zusters praten over mijn geloop, steeds moet ik gaan zitten van ze - lieten ze me maar bewegen, wat is er mis mee? Stelden ze me maar gerust dat ik mág lopen- en zenuwachtig friemelend aan mijn sjaaltje sta ik stil. Een zuster brengt mij naar mijn kamer. Ow, waar ben ik? Dan zie ik bekende foto’s. Fijn die foto’s van bekenden, van  familie, toch? Ik kijk naar een foto. Ik weet dat het mijn kleinkind is. ‘Die zal nu ook wel ouder zijn dan op de foto, zuster?’ De zuster weet het niet zeker. Vervelend is dat toch. ‘Ga maar even lekker rusten, mevrouw Nachtegaal’ Ik ga op bed liggen, mijn hoofd piekert mij. De zuster legt een hand op mijn hoofd. Even wil ik weer praten en praten, dan zegt ze:’ga maar lekker slapen, laat al dat piekeren even los. Lekker rusten, droom maar van mooie Natuur, van een kabbelend beekje en vogelgeluiden.’ Ik kijk haar aan:’u bent net een moeder.’ De zuster zegt alleen:’ dank u’ dan maant ze me tot rustig liggen en aan iets heel fijns te denken.
Ze gaat stilletjes weg, we zwaaien naar elkaar. Het is fijn.

Dan … niemand in de kamer.’ Waar ben ik? Ik moet naar mijn ouders. Ze weten niet waar ik ben.’ Kippenvel van narigheid, ik ga naar de deur, doe hem open en sta op een lange saaie gang met aan weerszijden deuren. Waar ben ik beland? Ik zie geen herkenningspunten. Een vrouw komt uit een kamer verderop. Ik ben de wanhoop nabij, maar ik klamp mij zo voorzichtig mogelijk aan  haar vast en vraag beleefd.‘ Ik weet niet waar ik ben. Kun ú mij alstublieft helpen?’

2 opmerkingen:

Roely Bakker zei

Wat ontroerend.

Tilly Kuiper zei

Dank je, Roely. Toch zit ik nog te dubben of ik het verhaal ga omgooien naar 3de naamval en vanuit de zuster gezien ga schrijven die dan de ik figuur zal zijn.
Anderzijds vind ik dat juist doordat ik in de ik vorm schrijf, bovenstaand verhaal mogelijk de lezer bij haar of zijn lurven zou kunnen grijpen. Dat is ook mijn bedoeling en zou teniet worden gedaan indien ik vanuit de zuster gezien zou schrijven. Voor mijn gevoel zou het verhaal niet meer kloppend zijn en minder intens omdat de zuster slechts opmerkt.