zondag 14 juli 2013

Le quatorze juillet, afscheid van mijn vader*


Le Quatorze juillet. Veertien juli tweeduizend en elf. We verzamelen ons in je kleine appartement dat op je vroegere studeerkamers-in ieder huis hetzelfde ingericht- lijkt, zelfs qua geur. Hoe die geur is? Een mengeling van muf, ziekenkamer en toch nog geïnteresseerd zijn in het leven. Dat kunnen we echt ruiken hoewel het meer een voelen is, ook voelen we dat de geuren de laatste stuiptrekkingen zijn. De koek is op.

Darwin en eponiemen waren je laatste stokpaardjes. Doch het lezen ging slechter, maar je kon er -god zij dank- nog over bomen met je vrienden, die steeds minder kwamen door ziekte en later door overlijden. Stuk voor stuk vielen ze weg. Behalve je laatste twee trouwe. Gelukkig veel jonger dan jij.
Je microscoop stond er nog. Afgedekt. Al meer dan een jaar niet meer in gebruik. Het snijdt nog steeds door mijn hart. De slechtziendheid had het gewonnen van je zo intens scherpe blik. Soms probeerde je nog door je zo intens geliefde microscoop te kijken, maar je kon je zicht niet meer op de juiste sterkte krijgen hoe je ook draaide aan de lens. Je vele zorgvuldig uitgezochte vulpennen lagen onaangeroerd te niksen. Hoe je ook probeerde je kon geen leesbare letter meer op papier krijgen. Slechts éen keer zei je: ‘Het is heel erg om niet meer te zien wat je schrijft, Tol. ’ Ik weet nog dat ik knikte en dacht:’ ik moet er niet aan denken.’ Het kwam niet in me op om aan te bieden. ‘Zal ik het voor je opschrijven? Terwijl jij dicteert?’ Waarom het niet in me opkwam? Geen idee. Zat te veel na te denken en in te voelen hoe erg ik het vond. Dat vind ik erg. Misschien omdat je andere taal dan ik gebruikte? Het heeft geen zin om mij er nu nog-na twee jaar-druk over te maken. Het was en is zoals het is. Een computer is ooit in je huis geweest en dat was het. Een kleine ontdekking. Pen en typemachine bleven favorieten.



Je twee trouwe vrienden, je dochters/ mijn zussen, de vier kinderen en ik we staan met zijn allen voor het laatst bij je. Het appartement leeft nog. We drentelen heen en weer. Zijn na tot elkaar. Straks gaat ieder weer zijn eigen weg. Nu is het samen je op je laatste route vergezellen. De kinderen hebben deze afgelopen drie jaren eindelijk een opa erbij gekregen. Oparijs bleef je, al woonde je in Baarn. Wij, de zussen, dachten onze vader in de buurt te hebben gekregen, maar je was met je gedachten nog in Frankrijk. Zes en vijftig jaren daar te hebben gewoond en intens geleefd zijn niet uit te wissen.

De begrafenisondernemers komen. De kist wordt naar de gang gereden. Bloemen erop en in de hand. We zijn wat giechelig. We laten het appartement achter. In stilte zeg ik:'dag.' Je energie hangt er nog terwijl wij ons opstellen op de gang.
De baas begrafenisondernemer had het gevraagd, de kinderen zeiden nee. Tóch krijgen ze ieder een plek aan weerszijden van de baar. Ik blik in de ogen van mijn zoon en dochter.’ Als jullie niet willen, is het geen moeten.’ Ze knikken allebei. ‘We dóen het.’

‘Dit is het laatste wat jullie voor je Opa kunnen doen’ spreekt de leidinggevende hen toe. Nu knikken ze alle vier. Rechten hun rug en statig rijden ze hun Oparijs/Opabaarn de gang uit. Rustig en kalm. Dan bij de lift, gegiechel. Ze verdwijnen erin. Het is duwen, passen en meten. Ik zie grote ogen als ze geperst  tegen de kist staan met een gezichtsuitdrukking van:’ beetje eng.’

De liftdeuren gaan dicht en wij –de rest van de familie en zijn vrienden-hollen de trappen af naar de hal waar we de kinderen met hun Opa opwachten. Ik lees opluchting.

Dan maken we er weer een processietje van en schrijden we langzaam naar buiten waar het voltallig personeel onder het afdak van de ingang op een rijtje staat. Iedere bewoner wordt bij zijn laatste keer het huis uitgaan zo uitgeleide gedaan, wij voegen ons bij ze. De regen valt bij bakken uit de hemel. De kinderen vermannen zich en in hun nette kloffie, zonder jas, rijden ze Opa naar de lijkwagen. Hem erin krijgen gaat wat moeizaam. Een laatste duw en ze rennen –om niet nog zeiknatter te worden dan ze al zijn- half lachend naar ons terug. Het personeel kijkt ernstig. Wij ook.

In gedachten hoor ik je stopwoordjes: ‘ Wat een flauwekul, wat een poespas.’ 'Ssst Pap, nu even niet. Het is niet grappig. Niet alles kan met een grapje worden afgedaan. Nu niet bagatelliseren.'

De auto’s rijden voor. We stappen in en gezamenlijk rijden we langzaam het begin van je laatste hoofdstuk uit.

Dag lieve Pap, ik houd van je en ik mis je zo vreselijk erg. Ook dat niemand –wil ik ook niet, het was jouw woordje voor mij- me meer Tol noemt, behalve mijn zussen. Die mogen het wel.

Liefs,

Tol

Geen opmerkingen: