dinsdag 17 september 2013

In de herfst van haar leven*.




Een natte grauwsluier heeft zomerse temperaturen doen verdwijnen. Steeds meer koelt het af. Tuindeuren blijven gesloten. Het helpt nauwelijks, want de warmte die het huis in zich opsloeg glipt gestaag weg en kilte neemt haar plaats in.


De zomerse buurpraatjes over heg en schutting zijn voorbij. Slechts een snel uitgesproken 'goedendag' tegen de buren of de tuin rest, terwijl zij zich naar en van de schuur rept tussen hoosbuien door. Terug naar huis.


Stilte.


Stilte in huis met de deuren potdicht. De wereld is buitengesloten. De tuin zomert haar nog een weinig toe. Nog steeds een diversiteit aan groenkleuren. De bloemen van de hortensia's zijn prachtig, doch krijgen al een waxachtigheid. Over een poos kan zij ze binnenhalen en laten opdrogen. Geraniums, petunia’s doen dappere pogingen om frisse zomertinten te behouden. Wat gaan ze snel, te snel achteruit.


‘Dag tuin’ door het raam kijkt zij haar aan ‘fijn dat je nog groen en vol kleur bent. Dank je. Je was zo weergaloos prachtig. Oh, wat zie ik tegen je dorheid op. ‘


‘Ssst de volgende lente groei en bloei ik weer.’


Geen menselijke stem te horen.


Stilte in huis. Huis dicht. Zelf voelt zij zich net zo gesloten.

Steeds vroeger sluit donkerte zich langzaam dag na dag na dag rond het dorp en de huizen. Ze probeert diezelfde zware grauwigheid van zich af te weren. Duwt ertegen als tegen een mistbank waar ze in opgezogen wordt. Gelukkig gaat koken nog bij daglicht. Gordijnen al om half negen dicht. De nieuwe comfortabele stoel omsluit de vrouw met zacht leer, waarvan ze niet eens weet welk dier het gaf.


‘Dank je wel, dier, voor je geven.’




Vijf en zes september, het waren de laatste dagen met tropische temperaturen of was het een droom? Toen stroomde haar bloed warm door haar lijf, botten en spieren waren beweeglijker. Soepel. Ze was soepeler. Nu verzet ze zich tegen de kilte.  Als een oud vrouwtje komt ze stram overeind. Startpijn. Haar schouders opgetrokken, spieren gespannen, het lijkt of haar gewrichten op slot zitten en met de dag stijver.  Zij wandelt te weinig. Dan is er de nieuwe stoel die haar lichaam verwelkomt als een nieuwe vriendin en de vrouw omhult samen met een fleecedeken. Ze voelt zich in veertien dagen tijd een stuk ouder geworden. Steeds strammer. ‘Kom op gedachten, word flexibel.’ Haar poezebeest wil niet op schoot. Trekt zich terug.

Hm, de herfst van haar leven staat in volle omvang voor haar neus, samen met de hoosbuien. ‘Dank dat er water is.’ Maar toch.
Regen, zon en de helderste regenbogen wisselen elkaar in sneltreintempo af, de vrouw voordragend dat na regen altijd zonneschijn komt. Of …door de regen de zon zien schijnen samen met de kleurrijkheid van een regenboog.

Stevig de pas erin? Lekker wandelen? Waar ben ik gebleven? Ik die nooit afhankelijk was van het weer om gelukkig te zijn? Mijn zomerse blije zelf heeft mij meegenomen.

Grauw. Doet denken aan rouw. Nee, niet weer he?

Ik houd van stilte, maar toch …

sluit deze Stilte mij op een vervelende manier af van de wereld

de wereld, die me vaak te veel prikkels geeft.

Paradoxaal in het kwadraat.’

Dacht zij, dat ze aan het met pensioen zijn gewend was?

Dacht zij, dat ze aan het alleen zijn gewend was?

Dacht zij, dat ze aan Stilte gewend was? Mispoes

‘Herfst van mijn leven. Blaadjes loslaten. Welke? Waar naar toe? Welke weg?

Geen flauw idee. Weer op een kruispunt. Ik kijk om me heen. Kiezen, mogen kiezen.

Oké, zang repeteren. Vriendelijk mezelf sturen.

Hm, ik heb mijn dag niet. De volle maan laat zich bijna voelen.’


Morgen is er weer een nieuwe dag.

1 opmerking:

Roely zei

Aangrijpend en begrijpelijk, Mathil.