zondag 6 juli 2014

Papa*



Zes juli 2011

 Het is avond. De telefoon gaat. Mijn vader is aan de lijn. We babbelen wat, onder andere over mijn oudste zus die gisteren naar onze laatst nog levende oom vertrok. Hij woont sinds de jaren vijftig in Canada en is dik in de negentig. 

Mijn oudste zus vroeg mij het komende weekend- wanneer ik naar Pap ga- aan te kaarten/te polsen of hij wensen heeft betreffende zijn levenseinde. Niet dat dit nu van toepassing is, maar het is toch handig om te weten hoe iemand - en vooral onze eigenzinnige vader- erover denkt. 

Pap en ik praten over van alles. Over de kinderen, over zijn leven, over zijn levensvriendin die een paar jaar terug overleed, over slakken, over zijn zicht dat zo slecht geworden is dat hij zijn passie - door een microscoop mini mollusken bekijken en determineren-  heeft los moeten laten, evenals schrijven. Het is zwaar voor mijn vader. Dan hoor ik dat er een zuster binnen komt. Veel geluid, zo van hier ben ik.
‘Wacht even, Tol ‘zegt mijn vader ’ dag zuster, heeft u weer ‘snoepjes’ voor mij.’
 ‘Ja, mijnheer Kuiper, alstublieft.’
“Waar zijn ze ook alweer voor, zuster?’
‘Mijnheer, het zijn gewoon de medicijnen die u nodig heeft.’
‘Oh ja, zuster? Is dat zo? Nou als u het zegt, zal  ik ze braaf slikken’ geeft mijn vader  als een sullig en slaafs  gehoorzaam klein jongetje als weerwoord. Ik hoor wederzijds gemaakt gelach. Ik krijg kippenvel, want als ik ergens de kriebels van krijg, zijn het zusters die zo praten. Ook weet ik dat mijn vader, die een goed werkend stel hersenen heeft en tot zijn vier en negentigste jaar autonoom was, daar niet tegen kan. 

Betutteling!

Voetstappen en een deur die open en dicht gaat.. Zuster is vertrokken en mijn vader richt zich weer tot mij met zijn eigen stem. Niet sullig, maar wel moe. ‘Ja Tol, zo gaat dat hier.’
‘Je moet het niet goed vinden, Pap, dat je als debiel behandelt wordt. Jij bent de klant.  De zusters zijn in dienst van jou. Al wil je drie maal daags weten waarvoor de medicatie dient, dan mag je dat vragen en een normaal antwoord op krijgen.’
‘Ach, Tol, ze zullen heus wel weten wat goed voor me is.’
‘Zo ken ik je niet, Pap.’
‘Tja, Tol, zo ben ik deze drie jaar geworden. Die medicijnen zullen wel ergens goed voor zijn. Het zijn er zoveel. Ze zullen wel ergens in mijn lijf hun werk doen, maar ze  zullen niet kunnen voorkomen dat ik ooit dood zal gaan. Net zo min als jullie dat kunnen door mij naar Nederland te hebben laten verhuizen. Het hoeft niet meer van mij.’

Stilte. 



‘Oh Pap.’  Mijn hart gaat naar hem uit. Ik kan het begrijpen, hoewel ik nog lang niet zoveel jaren leef. Mijn vader is dik zes en negentig jaren negen maanden jong.
Stilte. Papa en ik zijn goed in stil zijn, ook aan de telefoon.
Dan zeg ik, en op dit moment wou ik dat ik die woorden niet had uitgesproken, al is het een utopie dat ik hem zonder die woorden in leven had kunnen houden.
‘Je hoeft geen medicijnen te slikken hoor, Pap, als je daar niet voor kiest. Jij bent daar de baas over. En inderdaad kunnen wij je overlijden nooit tegen houden. Ooit ga je en ik zal je missen. Maar ik begrijp je wel.’
‘Ja, Tol?’
‘’Na ja, ik ben geen bijna zevenen negentig en ik heb nog niet zoveel verloren en moeten loslaten als jij, maar ik denk dat ik tegen de tijd dat iedereen overleden is ook wel zeg. ‘Nu is het welletjes.’

Mijn vader vertelt mij dat hij toch bang is om dood te gaan. En ik -zijn dochter- reik hem aan, dat ik ook dat kan begrijpen, maar dat ik het zo zie –zonder aan zijn gevoel voorbij te willen gaan- dat het leven eigenlijk een aaneenschakeling aan doodgaan is. Maar dat het overlijden een over het lijden heen gaan is. Zelf zie ik dit- door jarenlange ervaringen in de terminale nachtthuiszorg - dat het mogelijk is dat mensen ontspannen en de adem voor de laatste keer laten gaan. Relaxed. Ik geloof daarin en hoop ter zijner tijd ook zo te gaan.  Maar ja, wie ben ik dat ik dit soort gedachten deel met papa die veel meer (andere) levenservaring heeft?

Mijn vader klinkt moe, maar ietwat helderder.
'Dus dat kan, Tol? Ontspannen en adem los laten?'
‘Kijk, Pap, ik ben nog nooit overleden  (we grinniken beide) maar mijn ervaring is dat het mogelijk is. Ik heb over veel mensen waarbij ik waakte gehoord dat ze heel rustig gingen. Ontspannen en loslaten. De geest geven’
‘Aan wie?’ vraagt hij kwasi grappig, maar toch serieus.
'Aan wie jij wilt, Pap. Geen idee.'
 ‘Nou, Tol, dan denk ik dat ik nu maar ga slapen.’
‘Doe dat Pap. Ik zie je van het weekend, dan praten we verder als je wilt.'
‘Is goed, Tol.’
‘Ontspan nu maar Pap, ga maar lekker slapen en tot zaterdag.’
‘Dag Tol, hou je goed.’
We leggen neer.

Zeven juli 2011 
Terwijl ik opsta ben ik met mijn gedachten bij mijn vader, waarmee ik gisteren avond zo’n intens  gesprek had. Ik hoop dat ik- die bij zoveel vaders en moeders terminale nachtzorg deed  en nachten waakte - tegen de tijd dat hij overlijdt naast zijn bed mag zitten. In gedachten omhels ik mijn vader, zeg hardop dat ik van hem houd. Ik hoop dat hij het voelt  en eveneens in mijn gedachten ga nu even naast zijn bed zitten. Ik voel zijn nog slaperige vermoeide energie. Hoog gevoeligheid kan soms een vreselijke last zijn.

 Pas drie jaar is mijn vader weer volop in mijn leven. Ik hoop dat hij nog vele jaren leeft, dat wij elkaar steeds beter leren kennen en de kleinkinderen ook.

Om tien uur begint mijn dienst in het verzorgingstehuis. Over een uur ga ik werken. Ik voel me wat ongedurig en rusteloos, alsof er iets niet klopt en ik kan er de vinger niet opleggen. Opeens denk ik  terug aan hoe ik bij mijn moeder zat toen ze haar laatste adem uitblies na een lange strijd. Ik hoop oprecht dat het mijn vader ter zijner tijd zal lukken om ontspannen  de adem los te laten en de geest te geven. Zelf hoop ik ook zo te gaan. Weten dat het welletjes is geweest en vriendelijk overlijden. Waarom zou dit altijd lijden zijn? Ik zie het net als een geboorte, die zowel makkelijk of moeilijk kan gaan. Het is maar waar je in gelooft en hoe goed je je kunt ontspannen. Maar ja, ieder heeft daar zo zijn of haar mening over.
Om half negen krijg ik opeens de neiging om de handdoekjes in mijn keukenkastje netjes op te vouwen. De drang om dat te doen is groot. Idioot. Het kan nog wel qua tijd,  maar het slaat nergens op zo vlak voor het werken gaan.

He, het is best een lekker gevoel om alles netjes op stapeltjes leggen. Ik kom een oude afdroogdoek van mijn moeder tegen. Wit, groen, rood met appeltjes. Een gezellig uitziende oude  Mama theedoek.  Er zitten gaten in. Het valt niet meer te verstellen, maar het roept  gezellige uurtjes bij mijn moeder in de keuken op, vroeger in Frankrijk en ook later in Zeist. Ik ervaar opeens sterk haar aanwezigheid die mij  rust  brengt in mijn ongebruikelijke vreemde gevoel.  
Ik voel haar liefde.
Bij de theedoek ligt ook een schortje, een schortje dat mijn vader ooit droeg. Helemaal geen manlijk schortje.
Maar mijn vader hield van grappig doen. Ik pak het wit met blauwe schortje, er zit een ruche aan, twee zakken en een band waarmee je het over je hoofd kunt doen, en twee banden waarmee je het schortje om je middel kunt vastmaken. Ik voel mij warm worden en zeg hardop: 'dank je voor wat je voor mij betekent Pap. Ik weet dat je in het verleden alles met de beste bedoelingen deed. Ach ja.'
Ik zie nog zo voor mij hoe ik bij mijn vader in zijn mannen keuken stond. Hij kookte voor mij met het schortje om. Toen ik na het bezoek weer naar Nederland ging, gaf mijn vader het mee.
Op het zelfde moment hoor ik zijn stem diep in mijn wezen zeggen. 'Tol, vergeet alsjeblieft de humor niet. Onthoud, dat je om dingen kunt grinniken.’ Ik glimlach, dát is mijn vader optima forma.

Ik grinnik en ik voel heel sterk mijn vaders aanwezigheid naast mij. 'Gekke lieve Pap' zend ik naar hem. Hm, allebei mijn ouders bij mij en in mijn genen. Het voelt krachtig. Nog nooit heb ik het zo intens krachtig ervaren.
Dan gaat de telefoon en nog steeds met een glimlach neem ik op met mijn vaders schortje in te hand.
Het is een zuster van de woon en zorg voorziening waar mijn vader woont.
‘We bellen ú maar, want uw oudste zus is in Canada. Ik heb geen vrolijke mededeling voor u.’
Ik ben stil, voel nattigheid en luister al starend naar het schortje in mijn handen. 
‘Tot onze spijt moet ik u meedelen dat uw vader daarnet is overleden.’
‘Wat?’
Ik ben gechoqueerd. Nog erger dan toen mijn broer zich opeens van het leven benam. Kan het niet geloven.
‘Hoe?’
‘Mijnheer is zijn bed niet meer uitgekomen. We brachten medicijnen. Die moesten we neerzetten. Uw vader was relaxed. Hij wou op bed blijven liggen. Hij was moe. Later kwam iemand mijnheers ontbijt brengen. ‘Zet het daar maar ergens neer’ zei uw vader’ Weer een half uur later kwam een zuster die wou vragen of mijnheer al onder de douche wou.

Uw vader leek te dutten maar was overleden. Zijn medicijnen en het ontbijt stonden er nog. Hij is rustig ingeslapen.’




 

1 opmerking:

Tilly Kuiper zei

Zeven juli negentien honderd veertien.

Drie jaar geleden al, Pap, dat je opeens ging rond dit tijdstip. We moeten dankbaar zijn dat je geen lang ziekbed had, maar het rouwen dat je deed was ook een lijden voor je. Ik voel me dankbaar dat je ging zoals je ging. Dat je kon loslaten, Pap. Ja, je leven was voltooid.
Maar oh, wat mis ik je en je brieven plus telefoongesprekken. Mensen zeggen.’Je moet dankbaar zijn dat je je vader zo lang gehad hebt. Dat ben ik ook, ik schreef er pas over in Gemisgedachten. Maar toch ->Eh … mijn vader lang ‘gehad? Ja, je was er wel op de achtergrond. In Frankrijk. En later? Ik was jong toen ik van huis moest.
Nu zie ik in, dat je tóch meeleefde.

Ik hou van je, Pap. En verdorie wat heb je ons laten schrikken. Echt een papa actie, ik heb er gemengde gevoelens bij. Doch, ik had het die ochtend moeten weten en ik weet nu dat ik het onbewust wist door dat schortjes gedoe én mama’s en jouw energie, die opeens even sterk waren. Die ik even krachtig ervaarde tot in en vanuit mijn diepste wezen.