donderdag 7 augustus 2014

Reisstress



 Voor haar gevoel is het jakkeren.Zij vindt met honderd kilometer per uur over de snelweg rijden erg hard. Te snel. Te druk. Te veel auto's. Een raar zoemend geluid gonst in haar oren met het gevoel alsof haar lichaam elektrisch geladen is. Te erge spanning. Tegelijkertijd voelt ze zich zo slap als een vaatdoek met blupsie benen. Alle stevigheid is weg. Klamme handen en warme zenuwlijerige golven door haar hele lijf.

Ze heeft het weer helemaal gehad. Na een bijna slapeloze nacht, met in de ochtend veel rescue druppels toch-ondanks voorbereiding- erge stress tijdens het wachten op de auto. Paniek knop van de VALK.app beluisteren. Eigenlijk wel grappig. Om vliegangst te leren overwinnen, moet ze eerst weer snelwegangst, tunnelangst en in je uppie met iemand meerijden angst overwinnen. Het moet. Ze kiest ervoor maar twijfelt toch nog regelmatig.
Tjonge, jonge, jonge. Lekker duidelijk. Ze heeft de intentie er voor te gaan.

Ze deed een toezegging die voor haar als een belofte is.

Zoals ze later in de auto zit ... een lachfilm waardig?
Ze kan er achteraf iets om grijnzen als een boer met kies-pijn. Kiezen valt soms niet mee. De man achter het stuur probeert haar te helpen ontspannen met zijn aaadem in en aaadem uit als was ze aan het bevallen. Hij is vriendelijk, grappig en geduldig. Stelt haar gerust. Hij doet haar denken aan de laatste keer dat zij vloog. De purser wist haar rustig te laten ademen.Wat een drama was dat. Sorry zoonlief. Nog ziet ze zijn verschrikte gezicht toen ze niet door de deur van en in  het vliegtuig wou stappen. 
 Wat zou ze die blik graag willen kunnen transformeren. 

Ze kan zelfs wat naar het drukke, snelle verkeer kijken, voor zover het niet te veel heen en weer flitst.

Een mooie dag bij en met een vriendin van vroeger uit de verpleging genoten. Mooie wandeling gemaakt. Prachtig stadje bezocht. Lekker geluncht. Bijgepraat en dan … weer naar huis.

De terugreis.
De bestuurder is een ander. Zwijgzaam, en zij die van stilte houdt zou nu een gesprek willen aangaan. Het lukt haar niet. De man zwijgt en rijdt naar ze weet niet waar. Peentjes zweet ze. Haar hoofd lijkt bijna uit elkaar te barsten van de stress. Zo gespannen. Ze probeert naar de aanplakborden te kijken. Wat staat erop? Zoeffff voorbij. De snelweg met de snelle blikken hokjes op wielen zijn dit keer echt een veel te snelle combinatie. Haar bloeddruk voelt ze stijgen en ze heeft last van haar ogen.

 Ze wil niet meer. De gezellige dag wordt opzij geduwd. Balen.


Ze wordt er duizelig van als ze probeert alles met haar ogen bij te houden. Het is onmogelijk. Ze probeert aan te geven dat dit de derde keer is in een jaar tijd dat ze heen en terug wat verder weg van huis is geweest. 
Op de snelweg. 

De man zit in een cocon gevangen. Alleen het hoognodige zegt hij. In korte zinnen.
Hem vertellen dat ze erg gespannen is, hoewel zij het zo min mogelijk laat merken, vindt ze al heel wat.
Hij is beleefd en rijdt gelijkmatig, vraagt hoe het komt dat ze zo’n stress heeft. Ze is éen en al gevoel en kan geen antwoord geven. Het kind dat ze ooit was heeft het gevoel, de emoties van haar overgenomen. Dat kind doet haar voelen alsof ze naar een onbekende plek wordt gebracht en daar zal worden achtergelaten. Tegen paniek zit zij aan. Daarbij die snelheid. Steeds verder en sneller bij zichzelf vandaan? Of ...dichterbij?
In haar roept haar innerlijk kind om haar moeder. Praten tegen zichzelf of de man heeft nauwelijks zin. Vertellen wat ze voelt? Ze is naar van de narigheid en tracht in stilte repeterend tegen zichzelf te zeggen: Rustig maar, rustig maar, word rustig, laat rust meester van je worden, ik ben rustig, ik word steeds rustiger, ik ben rustig. Ze neemt het kind in zichzelf bij de hand alsof ze een galopperend paard tracht kalmerend in te tomen. Nu is nu. Maar ja, haar gevoel heeft er lak aan. De auto rijdt en rijdt, haar meenemend. Over verlaten weggetjes, over snelwegen, viaducten, op de linker baan door tunnels. Ze ervaart het als de hel. Uiterlijk laat ze niet veel blijken.

Eindelijk rijdt de man het dorp waar ze woont binnen en stopt de auto voor haar huis. Goddank. Ze stapt uit en bedankt de man voor zijn regelmatig rijden, want dát deed hij.

Thuisgekomen omarmt de stilte haar als een balsemend welkom met iets van verdriet als jus. ‘Dag huis.’ Haar poezebeest begroet haar spinnend. ‘Dag poezebeestje.’

 Ze komt bij.
Tranen van ontspanning stromen. Ze opent de tuindeur. Haar twee bezoekduiven zitten op de schuur te koeren. De tuin ruikt beregent. Diep ademt ze de geur in. Heerlijk. 

Zen. 

Wanneer ze iets is bijgekomen belt ze vriendin dat ze goed is thuisgekomen. Deze zegt dat ze trots op zichzelf kan zijn. Is dat zo? Kan ze trots zijn op zichzelf? Zo voelt het niet.

Ze heeft het in ieder geval weer volbracht ondanks haar getergde gevoel.

De volgende rit zal naar Leiden zijn. Ze probeert zich de humor waarmee haar vader zich door het leven worstelde te herinneren. Het lukt haar nauwelijks. 

Er zijn veel  en veel ergere dingen dan de vrijheid hebben en krijgen om te kiezen je te laten rijden naar Leiden.

Geen opmerkingen: