donderdag 23 februari 2017

Op naar een vriendelijke samenleving?



Bij de kassa van de supermarkt plaats ik mijn boodschappen op de lopende band. Het is een opeenstapeling aan
voedingsmiddelen en spullen.
Verontschuldigend zeg ik tegen de mevrouw na mij:’ Het zijn veel boodschappen en ik ben niet zo snel.’’
Mevrouw snauwt mij toe:’Daar kan ík niets aan doen, dan moet je maar in twee keer je spullen halen.’
‘Omdat ik lopend met mijn karretje van het andere dorp kom sla ik in voor 10 dagen. Begrijpt u?’’
Weer snauwt mevrouw:’ Daar kan ik niets aan doen. Dat zeg ik je toch. Bekijk het even.’
Haar woorden steken. Dus verduidelijk ik: ‘ik zeg het om mij te excuseren omdat u misschien lang moet wachten. Sorry daarvoor.’
Ze kijkt mij met koude ogen vol onbegrip aan. Ik voel haar wantrouwen: 'Nou hoor, ik pleur wel op naar een andere kassa. Zo goed?’

Babylonische spraakverwarring. Last van het weer?


Mijn hart klopt in een versneld tempo. Geloof ik nog in mijn droom over een vriendelijke samenleving?  Waarschijnlijk heeft mevrouw iets naars meegemaakt en is ze met het verkeerde been uit bed gestapt? En ... nu zit ze in de modus zoals de waardin is vertrouwd zij haar gasten?
De kassière en ik kijken elkaar woordloos aan in een  begrijpen over ons onbegrip. Ik iets van: waar ging dit over? WTF? (voor het eerst dat ik de afkorting van deze woorden gebruik.) 

Buiten word ik met karretje en al naar het dorp waar ik woon geduwd. De voorspelde storm is in aantocht. Ik waai uit.

Nu ik dit stukje heb geschreven besef ik dat- hoewel ik gisteren weer een schrijfstart maakte- vandaag deze mevrouw mij in de schrijfmodus kreeg. Mijn vader zou zich een bult lachen, Vaag zie ik de humor van het gebeuren, maar vind het onleuk.

Geen opmerkingen: