dinsdag 21 november 2017

Over nachtdiensten

Gisterenavond keek ik op de televisie naar documentaire met de naam: de nachtzuster. Het bracht mij terug naar de tijden dat ik zelf nachtzuster was en ik kreeg heimwee. Niet naar het slaapgebrek en de later ontregelde stofwisseling door datzelfde slaapgebrek plus door te weinig daglicht. Nee, heimwee naar dat hele speciale wat nachtdiensten -vooral bij mensen thuis -hadden en waarschijnlijk nog hebben. De stilte, de fluisterende gesprekken, het oogcontact, het er mogen zijn voor de ander zonder dat er op tijd werd gelet. Je was er acht uur. Er waren diensten dat ik volop bezig  werd gehouden door  de client/ patiënt. En er waren diensten die maar niet omkwamen. Dan sliep de client. Dat was fijn voor hem of haar. Ik herinnert mij dat ik een keer nachts kerstkaarten schreef. 



Mijn gedachten gaan nu die ene oude demente man in dat hele grote huis. Het huis stond in een pittoresk dorpje. In die tijd werden er nog nachtdiensten bij demente mensen geïndiceerd. Tegenwoordig - althans, dat was vijf jaar terug zo- moet je terminaal zijn wil je nachtzorg toegewezen krijgen.
Afijn, bij die oude demente man was het een teruggaan in de tijd. 

De zuster stapte het oude statige huis binnen, werd verwelkomt door mevrouw.  Deze legde in de ouderwetse keuken het éen en ander uit waarna ze naar bed ging. 

De kamers in dat huis hadden hoge plafonds. De zuster zat in een zitkamer op een vreselijk zittende stoel mét een goede leeslamp. Een schuifdeur, waarachter de woonkamer met het bed van mijnheer. 

Mijnheer wou al snel opstaan, zijn schoenen aan en hoppa naar de gang waar hij zijn jas aantrok, zijn pet opdeed en zijn wandelstok oppakte. ‘ik ga wandelen, mevrouw. Vergezelt u 
mij?’
Hm, de zuster schakelde even en ging toen mee in mijnheers tijdreis. Gearmd liepen ze de lange gang door naar de voordeur. ‘He, wat jammer nou, de sleutels zijn onvindbaar.’ speelde ze na 
lang zogenaamd zoeken. Waarna ze beiden een tijdlang door de kleine vierkante ruitjes van de voordeur keken of het rijtuig er al aankwam. Mijnheer hoorde het aankomen, doch het kwam nooit. 
Omdat het wachten op het rijtuig te lang duurde, opperde de zuster om een kopje thee te gaan drinken en zo wandelden zij  statig door de lange gang naar de hoewel grote toch gezellige ouderwetse keuken. Het theewater zette ik op in een prachtige koperkleurige ketel. Ik zette thee en zette dat op de keukentafel die in het midden stond. Er waren twee granieten aanrechten langs de muur. Een paar treden gingen een iets hoger gelegen 
kamertje. Een bijkeuken?
Theedrinken werd nog even uitgesteld. Mijnheer wou mij zijn boeken en tekeningen laten zien. Ze zou merken dat mijnheer zeer artistiek was.( geweest en deels nog was)

Voorzichtig liepen we het trappeke op. Het kamertje bleek geen 



bijkeuken te zijn, het leek op een plek waar je een monnik zou kunnen verwachten. Aan de muren en op de werktafel waren uitingen van calligrafie. Op een platte ezel lag een boek met intens mooie letters die overgingen in verfijnde tekeningen. Monnikenwerk. Zo wonderschoon dat ik er ontroerd door werd. 
Mijnheer transformeerde in een bevlogen mens en hij vertelde en vertelde. Tijdens de thee vroeg hij wat ik in zijn huis deed. Dus 
zei ik: ‘ ik houd u gezelschap tijdens de nacht.’ 
‘oh, dat is fijn, want ik heb het koud in bed.’ Ik legde hem uit dat dat soort gezelschap geven niet de bedoeling is en hij legde zich erbij neer. Wel nam hij mij nog mee naar een andere kamer waar een piano stond. Hij deed de klep open en hoppa vol bezieling toverden zijn vingers de prachtigste klanken te voorschijn. Het volume steeg en ik moest helaas mijn hand op eenvan zijn  
armen leggen: ‘ Mijnheer, het is nacht. Zachtjes, heel zachtjes spelen. Uw vrouw mag beslist niet wakker worden en het dorp evenmin.’ Hij wierp mij een getergde blik toe. Hij keek helder maar intens verdrietig uit zijn ogen - ver voorbij zijn dement zijn-terwijl hij zijn handen in zijn schoot legde. Ik schoot vol en fluisterde hem toe om alsjeblieft heel, heel zachtjes, nog heel even een klein stukje te spelen. Hij keek mij blij als een kind aan. 
Ter plekke improviseerde mijnheer iets klaterigs, zacht en teder van zulk een schoonheid. Het bracht mij in gedachten naar een open plek met een beekje in een bos. ‘Voor u, mevrouw.’
Voor mij. Het is éen van de meest bijzondere geschenken in mijn leven geweest. Daarna bracht ik hem we na wederom een wandeling naar de voordeur neuriënd naar bed.


Dank u wel, mijnheer.

*****************************

Bij die mijnheer mocht ik van het Zorgkantoor waarvoor ik werkte een paar nachten komen. Nooit mocht je te vaak ergens heen, want je mocht je niet hechten. Je mocht geen band met patiënten/ cliënten opbouwen. Die nachten waren mooie, soms zeer vermoeiende nachten. Echter, zo anders en in geen vergelijking met de terminale zorg nachtdiensten die ik kort daarna toegewezen kreeg,


Toch was elke dienst speciaal en er wás verbondenheid. Met een glimlach denk ik nu terug.

2 opmerkingen:

Corina Bloem zei

Dit blog is een pareltje, M.
Door jouw manier van schrijven wandelde ik even met jou en die meneer mee.
Dankjewel. XBloem.

Tilly Kuiper zei

Ah, dank je wel B. Xxx

Ergens deed jij mij hierover schrijven omdat je gisteren zei
dat je mij vragen wilde stellen over de nachtdiensten.