maandag 20 november 2017

Overprikkeld 2

Overprikkeld zijn kan, door mensen die er geen last van hebben, als een kwaal gezien worden.‘Oh, die en die is anders. De overprikkelde gaat niet mee met hoe alles hóort te gaan in deze maatschappij. Met hoe wij het doen. Nu moet ze daarvoor toch ook eens naar de dokter. Ze is te gevoelig.’ Echter, voor haar zou dát wederom een overprikkeling  zijn. Eerst tot rust komen. 
Alleen zijn. Gevoeligheid is geen ziekte. (Zíj zou net zo goed ongevoeligheid voor gevoeligheid als een probleem kunnen zien.) Goed naar haar eigen lichaam luisteren, met name nu naar haar hersenen. Een goede nachtrust, eventueel een 1/2 oxazepam á10 mgr doet bij haar al wonderen. En dan? De dag erop weer meedoen?
Ze sluit zich een poos af. Dat is haar therapie. Bij deze en gene meldt zij dat zij haar telefoon uitdoet. Ze is verdrietig omdat ze 
weet/voelt dat anderen verdrietig zijn om haar. Laat los. Als een hand waarvan de vingers zich langzaam openen. Heus, ze neemt raad van anderen aan. Ze voelt verbondenheid. Ze houdt van mensen. Van al haar dierbaren. 

Vanmorgen wou ze niet meer. Het lag niet aan haar benen. 


De doktersassistente in haar spoorde aan: ‘Kom uit bed, geen trombose krijgen, lekker een douche nemen. Straks toch weer op de trap oefenen. Oké? Magnesium olie op de benen. Kom op 
alsjeblieft, benen.’ ‘misschien heb ik uitzaaiingen in de benen?’‘Ssst, je hebt aan ieder been een blessure. Plus artrose. Niets meer en niets minder. Dat kost tijd om te helen.’ ‘Oké, doe maar een joggingbroek en gemakkelijke trui aan, lekker zonder borstprothese. Ontbijten. Daglichtlamp aan. Kijken of je willenwandelenergie om kunnen zetten in schrijven. Beheerst schrijven. Muziek van Offenbach aan. De Barcarolle werkt weldadig. Als een innerlijke zalf. Dan hoort ze Vangelis. Verovering van het paradijs. Haar paradijselijk plekje, haar tuin, is grauw. Kaal als zijzelf. De bezoekvogels zijn weggebleven sinds de dagen dat ze boven lag en de trap niet af kan. Geen mussen, geen duiven, ja toch een enkele duif. Maar haar oude duifmaatje is er niet.




‘Kom op, kom op, chi up.’ Wat chi up? Er valt niets te chi uppen behalve door middel van schrijven en daar heeft ze nu bonje 
mee.

‘ warm je stem op.Neurie dan. Zing dan.’ Ze denkt terug hoe haar vader en zij -in haar jonge jaren wanneer hij haar ophaalde of wegbracht van en naar pleeggezinnen- voluit zongen in de auto. Ze doet  Euh deedhet nog wel eens. Buiten, op de fiets. Héel hard. Fietsen zit er nog niet in.
Het is een constatering. Zij zal het heus wel weer kunnen.


In haar hoofd hoort ze haar vaders stem: ‘Stel je niet aan, Til, ga nu fietsen.’ En Oudste Zus’s stem: ‘je overdrijft altijd.’

Eindelijk stromen de tranen. De overprikkeling neemt iets af. In haar laat ze muziek deinen. Ze zet de Barcarolle weer aan. De 
melodie verzacht haar. Zachtjes wiegen de noten van buiten naar binnen, en trekken neuriënd aan haar. ‘ Kom Meis, je bent een optimist. Open je hart weer.’
Ze glimlacht door haar tranen heen. Buiten hoort ze opeens weer mussen.
Vandaag gaat ze toch weer buiten oefenen met lopen. In de tuin. Als het weer niet zou gaan dan zal ze misschien morgen braaf 
haar huisarts bellen.

Ze heeft zowaar een nieuwe jurk besteld. 
Ze vindt het zowaar leuk.
Een verjaardagsjurk.
Ze doet mee.

Dan gaat de deurbel. Vrienden uit Frankrijk staan lachend met een doos zelf gekweekte groenten en een echte baguette op het pad: ‘we kregen je niet te pakken.’

Ze is dankbaar.