woensdag 11 juli 2018

Troost

De wereld, de aarde, al wat groeit, bloeit, de dieren en de mensen zijn mij intens dierbaar
maar soms is het mij te veel. 
Dat is niemands ‘schuld’. Het is een zegen én een lijden om veel te voelen en te denken, een veelheid aan prikkels. Ik voel meer dan een ander zegt te voelen. De veelheid van levensprikkels, op sommige momenten kan ik het niet absorberen.
Al kom ik in sommige tijden weinig onder de mensen dan toch voel ik veelheid. Veelheid kan mij mijn eigenheid afpakken.  Men vindt dat ik moet zijn zoals ieder ander? Wat en hoe is ieder ander? Velen onderdrukken hun gevoel. Hun emoties. Hun herinneringen. Hoe iemand is, is diegene. Het is oké. Ik ben ook oké.


Nee, ik laad niet op ter ontspanning door bijvoorbeeld te gaan shoppen, door een stad met veel mensen te lopen, op vakantie te gaan enzovoort wat anderen leuk vinden en wat sommige mensen doet opladen.
Ik laad op in de natuur, in stilte, in mijn tuin, door muziek te luisteren die ik mooi vind, door schrijven of schilderen. Vroeger door het met kinderen gezellig te hebben. Na in de terminale nachtzorg te hebben gewerkt is mijn hoofd, mijn wezen aan rust gewend geraakt. Daardoor kwam ik een beetje terug bij het meisje dat ik ooit was in pleeggezinnen. Het meisje dat niet tot last mocht en wou zijn. Het meisje dat zich vaak terugtrok bij zichzelf op de kamertjes die ze in de gezinnen had. 
Ja, ik kan goed met mijzelf omgaan wanneer ik alleen ben. En ik kan prima met anderen omgaan wanneer ik de tijd krijg om over alle woorden die ik hoor na te denken, te absorberen, te verteren en tevens los te laten. Je zegt dat ik dat niet zo moet doen? Toevallig ben ik de enige die mijn leven kan leven.   

En ja, ik ga heus wel een stad in, een museum, enkele keer naar een feestje of een restaurant. Maar in eerste instantie niet om op te laden. Nee, ik moet opgeladen zijn om dat te kunnen. Dan vind ik het ook leuk en kan ik mij deels afsluiten.

 Ik zie het wonder dat het leven kan zijn. Ik zie, voel en hoor om mij heen vibreren ondanks mijn beperkte gezichtsveld en mijn soms slechte gehoor ( zoals een ander dat wenst.) Er zijn dagen dat het magisch is. Ook zijn er van die dagen dat het niet te harden is. Als ik mij terugtrek en ik alleen ben, dán kan ik ermee omgaan. Doch eenzaamheid ligt toch op de loer al ben ik een-saam in mijzelf. De jachtigheid van het leven kan mij richting ‘ kom op, doe mee’ stuwen, waardoor het echt niet meer mijn tempo is. 

Iedere vraag is mij dan te veel. Hoe goed bedoeld ook. Hoe lief ook. Iedere vraag kan resoneren en resoneren in mijn hoofd en zoemen als een stel bijen.

Ooit was ik echt een sociaal mens. Dat ben ik nog steeds wanneer ik mij uitgerust voel. Uitgerust zijn. Een dag of bijna een etmaal van de wereld zijn. Ontspannen door te huilen en te slapen is mijn manier van opladen en  heling wanneer ik te lang ben doorgegaan en afgedwaald ben van mijzelf.

Maar op dit moment ...
 is de wereld mij  te veel.
Soms
Dan heb ik het gevoel dat mijn leven voltooid is
Dan is er een niet meer kúnnen
Dan is er bijna een niet meer willen
-vooral met de donkere maanden in het vooruitzicht-
maar daar kiezen wij niet voor.
Heus, dan ga ik eerst hard werken in huis en tuin
om energie te lozen. Echter, zo vermoeid, zo vermoeid ben ik.
Waarom heb ik ooit kanker overleefd?
Het punt van mij uiten door schrijven, is dan voorbij.
Als ik zou praten of schrijven komt er bladiblah uit.

Dan naar bed in de rust van mijn eigen slaapkamer
Soms komt mijn poezebeest erbij, nu is zij de hele dag al uit mijn buurt,
De rust van mijn eigen slaapkamer
met de oude Aloa Vera en de Vaderplant die ik de Mamaplant noem.
De plant waardoor ik mij overal thuis zou voelen.
Thuiskomen bij mijzelf, 
door andermans gevoel en gepraat buiten te sluiten.
Thuiskomen in mijn zonnig geel geverfde slaapkamer

met zonnige gordijnen. Vooral in de donkere wintermaanden 
een must.

Buiten hoor ik de mussen tjilpen, gedempt verkeer in de verte.
Af en toe gepraat van voorbijgangers,  buren en kinderstemmen,
De thermostheepot maakt een zzzz geluid.
De wind waait. De regen heeft gisteren niet doorgezet.
Op mijn nachtkastje ligt ‘Een bakje troost’ een boekje met verfijnde natuurtekeningetjes en een mooie simpele tekst.
Op het schutblad  staan handgeschreven woorden van en door  mijn moeder geschreven. Opeens had ik het in mijn handen toen ik mijn tablet pakte. Ik kreeg het maart 1988. Mijn kinderen waren nog klein. Mijn moeder was destijds 75 jaar. Vijf jaar ouder dan ik nu.
Het boekje voelt inderdaad als troost. Het voelt als een knuffel. Een stille knuffel. 

Dank je wel, Mam.

Ik zet de telefoon weer aan. Mijn dochter stuurt een Whats appje en direct daarop belt een dierbare vriendin. Zo gaat dat tussen ons. Misschien zou ze langskomen vanavond? Ze begrijpt het dat het mij vandaag niet lukt.  We praten even rustig met elkaar. Op dezelfde golflengte.  Samen stilzijn is oké. We zullen nog langer uit beeld zijn bij elkaar. Dat vind ik wel jammer.

Ik hoor haar lachend zeggen:’ het is maar goed dat we zo goed in verbinden zijn.’ 
‘Ja, inderdaad.’grijns ik. Ik wens haar mooie weken. Een golf van dankbaarheid overspoelt mij.

Dank je, lieve trouwe vriendin.






Geen opmerkingen: